
Jibbe Willems
(foto: Sjoerd Derine)
Jibbe Willems
Jibbe Willems (1977) heeft altijd al willen schrijven. Al op de lagere school schreef hij verhaaltjes. Zijn eerste verhaal schreef hij voor de schoolkrant van de Arnhemse Montessorischool. Het schrijven voor de schoolkrant werd op de middelbare school voortgezet. Vanwege zijn interesse voor taal ging hij Nederlands studeren. Dat was het niet. Geschiedenis ook nog even geproefd maar dat was het ook niet. Toen werken en toneelspelen bij amateurgezelschappen en toen naar de toneelacademie in Maastricht. De plankenkoorts bij het spelen brak hem op en van schrijven kwam niets meer. Hij heeft het spelen vaarwel gezegd en is op een bank gaan werken. In de nachtdiensten bleek er ruimte voor het schrijven te zijn. Na het sturen van teksten naar gezelschappen werd hij door het Syndicaat gevraagd om mee te doen aan de schrijversdagen. Sindsdien heeft het schrijven en vertalen van toneelstukken een vlucht genomen


Foto Sjoerd Derine







Het gesprek met Jibbe Willems was erg leuk en er is veel de revue gepasseerd. Het is een lang verslag geworden. Daarom ook een indeling in onderwerpen.
Werkwijze: Hoe ga je te werk?
Ontwikkeling van taal
Het plot
Hoe ben je tot schrijven gekomen?
Hoe ga je te werk?
Mijn werkwijze is eigenlijk steeds anders omdat ik het tof vindt om nieuwe dingen uit te proberen. Dingen waarvan ik geen idee of ik dat wel kan. Met theatermaken werk vaak in een in een team. De samenstelling van het team bepaalt ook de werkwijze en wat voor voorstelling het wordt. De tekst is één onderdeel daarvan.
Bij het schrijven probeer ik mezelf altijd twee opdrachten te geven: een inhoudelijke opdracht en een vormopdracht.
Inhoudelijk het thema: Waar gaat het over? Vanuit welke vragen vertrek ik.
Vormopdracht: Hoe gaat het klinken?
Voor mij zegt de taal die personages spreken iets over de personages zelf en de wereld waar ze in zich voortbewegen. Ik geloof dat je in het theater daar heel ver kan gaan. Het is een soort staande poëzie. Je hoeft je niet te houden aan wat we denken dat realistisch taalgebruik is, je kan in de verbeelding heel erg ver gaan. Ik vind altijd leuk om nieuwe dingen uit te proberen. Dat kan betekenen dat ik tegen mezelf zeg,: “Het moet klinken als jazz”. Dan weet ik nog niet zo goed wat dat betekent, dat is het experiment. Of het moet klinken als een afgebrokkelde taal. Daar ga ik dan mee spelen.
Noteer je dat van tevoren het taalgebruik van de personages?.
Nee. Het is heel intuïtief, al werkende. Ik kan dat niet van tevoren bedenken. Ik probeer heel veel dingen uit, waarvan het meeste niet goed of bruikbaar is.
Langzamerhand wordt het steeds duidelijker wat ik aan het doen ben. Het wordt steeds logischer hoe die mensen met elkaar aan het praten zijn of hoe die personages zich tot elkaar verhouden.
Verander je veel ?
Schrijven is continu terugschrijven. Alles wat je verandert in de tweede, derde, vierde vijfde scène heeft invloed op daarvoor. Alsof je een steen in een vijver gooit waarbij de kringen alle kanten op gaan.
Ik geloof heel erg in schrijvend denken en denkend schrijven . Mijn begin is ook niet een synopsis, waar ik naartoe schrijf maar ik probeer uitgangspunten of vragen te formuleren die ik al schrijvend probeer te beantwoorden.
Een voorbeeld?
Wat was bijvoorbeeld het uitgangspunt bij Koning Krump?
De basisvraag was eigenlijk de vorm: Kunnen we een shakespeareaans koningsdrama schrijven over macht in deze tijd met personages van nu?
Dus een Richard de derde, maar dan met Set Blatter van de FIFA of koning Willem Alexander. We kwamen op Trump kwamen uit.
Wat zijn dan shakespeariaanse thema’s? Wat zijn de elementen die in het stuk moeten zitten?
-Macht, alles wat een wat een personage probeert zorgt uiteindelijk voor zijn of haar ondergang. – -Het gaat over thema’s als ambitie en jaloezie.
– Shakespeare speelde zijn stukken in de Globe. Daar kwamen de hoge edelen, de burgers en de boeren. Dus het moet aansprekend zijn voor iedere laag van de bevolking.
-Er mogen filosofische intellectuelen gedachtes in zitten, maar er moet ook een beer opkomen.
– Effecten, spektakel en moorden.
– De vorm shakespeareaans is ook heel breed. Voor mij gaat dat over gulzigheid en barokke taal.
Met al die elementen ga ik dan aan de slag. Bij Krump was er nog een extra ding: Hoe maak je een voorstelling over een personage dat al “larger than live” is? Hoe zorg je ervoor dat je het zo schrijft dat je ingehaald wordt door die realiteit?
We hebben geprobeerd er een groot sprookje van te maken met een burgeroorlog als ultieme eindpunt.
Ontwikkeling van taal.
Je maakt gebruik van vergelijkingen en poëtische taal. Hoe ga je daarbij te werk?
Bedenken en opletten! Vooral ook je eigen clichés herkennen en identificeren, want clichés zijn heel bruikbaar. Het is een manier waarop je dingen kan schrijven.
Het lastige van clichés is dat het publiek denkt dat ze de tekst al kent. Als je een cliché hoort, dan denk je: ik snap het wel. Dan neemt het publiek het niet op. Terwijl als je iets op een nieuwe manier probeert te zeggen, dan denkt het publiek: “Oh, dat is interessant. Wat gebeurt hier?”
Misschien niet heel bewust, maar je hersenen vinden het leuk om nieuwe dingen te leren kennen. Daar gaan de toehoorders van aan. Je gaat beter luisteren.
Het is schrijven is een zoektocht: hoe kun je dingen op een nieuwe manier zeggen en toch begrijpelijk zijn. Dat vind ik een uitdaging.
Voorbeeld:
Ik heb al honderd keer gehoord dat die lucht grijs is, maar wat voor grijs is het?
Het is nogal een verschil of iets steengrijs is, dat is een drukkende lucht die op je neerdaalt of is het grijs, paardenbloemenpluisgrijs, dan heb je een lucht waar je lichtheid bij ervaaart.
Een vergelijking, de manier waarop je iets vergelijkt, zegt meteen iets over een gemoedstoestand of een perspectief van het personage.
Hoe ontwikkel je jouw taal?
Door te observeren, veel lezen, jezelf trainen om niet voor de hand liggende combinaties te maken. Gebruik maken van juxtapositiesposities, dus als je twee dingen naast elkaar zet.
Het contrast daarbij is een heel fijn gereedschap voor een toneelschrijver, want daarmee zet je dingen scherp tegen elkaar. Daar kan je mee spelen, dingen duidelijk mee maken. Als je twee dingen naast elkaar zet die weinig met elkaar te maken lijken te hebben, kunnen die naast elkaar betekenis krijgen.
Dat kun je trainen Als je dingen die je om je heen ziet naast elkaar zet in je hoofd, dan levert het meestal niks op, maar bij sommige denk je: wat gebeurt hier?
Een voorbeeld:
Jezus de verlosser in plaats van aan een kruis aan een gele M van een McDonald’s. Dat geeft een totaal andere betekenis. Gaat het dan over verlossing of gaat het overconsumptie?
Bij voor de hand liggende oplossingen probeer ik iets anders te bedenken. Soms moet je daar lang over nadenken. Als een probleem in je hoofd zit, werkt het volgens mij, het minst om dan voor een computer te gaan zitten. De vraag, heb je in je hoofd en dan ga je afwassen, wandelen, naar een museum, wat dan ook, om je andere brein in te schakelen, niet je directe procesbrein. Een sluimerbrein of het mijmerbrein. Het moet groeien.
Je schrijft veel. Werk je ook aan meerdere stukken tegelijk?
Nu wel. Ik had altijd het idee dat ik eerst een voorstelling moest afmaken en dan naar de volgende kon gaan. Ik werkte in blokken, van deadline naar deadline. Dat is een vrij pittige manier van werken, want de ideeën van een project lopen niet altijd even soepel van gedachten naar tekst. Nu heb ik wel doorzettingsvermogen, dus als de motivatie eventjes hapert dan ga ik door op discipline. Alleen is dat niet per se een duurzame manier van schrijven – op langere termijn gaat het toch wringen en brand je jezelf een beetje op.
Nu werk ik niet meer in rigide blokken steeds aan maar één stuk, maar probeer ik meer in flow te werken. Voor mij betekent dat, dat ik met twee of zelfs drie stukken tegelijk bezig ben. Niet letterlijk op hetzelfde moment, maar naast elkaar – ’s ochtends kan ik denken: waar heb ik nu zin in. Wil ik schrijven, wil ik vertalen, wil ik de diepte in, wil ik even het misverstand opzoeken, et cetera. Dat vind ik een fijne manier van werken. Niet de deadline bepaalt waar je aan werkt, maar je intuïtie, of je bui, of je inspiratie of hoe je het ook wil noemen. Daarin kunnen de stukken elkaar inspireren; wat in het ene idee niet past, kan je meenemen naar het andere. Het werkproces heeft dan een iets andere planning nodig en je moet de deadlines in de gaten houden, maar het bevalt me eigenlijk wel, deze wat meer vrije benadering.
Het plot
Als je schrijft werk je dan naar een plot toe?
Als uitgangspunten schrijf ik soms een ideeën op voor een eind, daarbij neem ik mezelf altijd voor dat het een tijdelijk eind is wat kan veranderen al naar gelang het verhaal. Het einde is niet perse het belangrijkste, het moet dienstbaar zijn dan het verhaal.
Het einde is wel belangrijk want dat is waar het publiek mee naar huis gaat. Je kan veel kapot maken met een einde, maar uiteindelijk is het einde niet datgene wat het wat het stuk betekenis geeft.
Als je met onthullings-dramaturgie werkt, denk aan een detective verhaal, dan schrijf je daar wel naar toe. Dan is plot extreem belangrijk. Voor mij is plot meestal een voertuig om een stuk te brengen. Ik vind het fijn dat je je publiek mee kan nemen in een verhaallijn. En daar zit gewoon begin, midden en einde aan. Ik kan wel beginnen met een einde maar terwijl schrijf, kan het helemaal de andere kant op gaan. Dan heb ik een ander einde nodig.
Maak je een raamwerk voor een stuk?
Soms wel, maar dan ook altijd als uitgangspunt. Het raamwerk is nooit hoe het er uiteindelijk uit ziet. Ik zet steigers neer en als ik het huis ga bouwen dan breek ik die steigers ook weer af. Soms moet je uitbouwen. Uiteindelijk probeer je al die steigers weg te halen.
Voorbeeld:
Uitleg scènes zijn steigers, scènes waarin je merkt dat je als schrijver communiceert met een publiek over de hoofden van het van de personages heen. Die die probeer je weg te halen. Je wil dat personages met elkaar in gesprek gaan en dat het publiek daaruit informatie opneemt. Dat is soms nog heel lastig te identificeren. Het publiek moet het wel begrijpen. Als ik merk dat ik als schrijver naar het publiek aan het praten ben doormiddel van de personages, de personages een middel worden in plaats van hun eigen drama hebben, dan moet het anders. Dat is een mooie zoektocht, Dat zijn de steigers die ik probeer weg te halen. Alles wat onnodig is moet uiteindelijk weg. Als het stuk gerepeteerd gaat worden geef ik altijd mee: alles wat je kan spelen weghalen.
Doe je ook onderzoek voor je stukken zoals bijvoorbeeld, voor “Moeder van Europa” , en hoe pak je dat aan?
Ik geloof heel erg in research. Je duikt met elke stuk weer in een nieuws wereld. Het is handig om die research te structureren naar wat je zoekt. Dus vaak begin ik met schrijven en dan ga ik erbij zoeken van wat klopt en wat ik associeer.
Als je begint met research, dan is het risico dat je uiteindelijk een groot zwembad hebt terwijl je maar één glas moet vullen. Dat gebeurde bij Moeder van Europa, waar het gaat over: hoe werkt geschiedenis. Moeten we niet op een andere manier kijken naar macht of de rol van vrouwen of de rol van mensen van kleur.
Het werd veel informatie over de Franse revolutie. Als je erin duikt is het zoveel breder en weidser en groter en fascinerender, dan je al weet.
Het is ook een what if geschiedenis. Moeder en dochter kennen elkaar maar de andere personages hebben niet zo veel met elkaar te maken als dat wij in het stuk neerzetten. Ik zoek naar een balans tussen de fantasie en de werkelijkheid.
Hoe sta je tegenover veranderingen in je tekst?
Sommige schrijvers hebbend dat liever niet, dat respecteer ik ook. Iedere schrijver mag daar een eigen visie op hebben.
Wat mij betreft is een theaterstuk materiaal om mee te werken. Een scène die geschrapt wordt in een voorstelling kan in een andere versie wel heel goed werken. Het interesseert me niet of x een man of vrouw is. Gooi het door elkaar. Theater is verbeelding, dus doe dat.
Het gaat ook om de visie van de mensen die de voorstelling maken. Het is materiaal wat mensen kunnen gebruiken.
Als iemand heel veel veranderd, dan moet je dat er wel bij zetten. Tekst van Jibbe Willems, bewerkt door…..
Ik zet ook al mijn stukken op mijn website en waar je ze gratis kunt downloaden, omdat ik zichtbaarheid en bereikbaarheid belangrijk vind. De opvoeringsrechten gaan via Stichting Bredero.
Als je je tekst gespeeld ziet worden, klopt het dan met wat je wilde?
Nooit! Wat ik in mijn hoofd heb, is nooit wat de realiteit wordt. Dat is ook goed, want wat ik verzin is vrij beperkt en wat er in de voorstelling te zien is, is verzonnen door veel geesten bij elkaar. Dat is altijd meer dan wat ik kon verzinnen.
Als ik aan het schrijven ben, dan zie ik de acteurs niet op het podium voor me. Het is een droomwereld, een droomrealiteit
Valt het dan mee of tegen als een stuk wordt uitgevoerd?
Ik vind het altijd verrassend. Ik vind het altijd te gek en ik ga er vanuit dat wanneer we met z’n allen een voorstelling maken, iedereen probeert er de beste voorstelling van te maken. Dat de intentie altijd positief is. Als ik iets zie waarvan ik denk: Ik weet niet of ik dit nou heel goed vindt, dan weet ik dat de intentie altijd is geweest om de beste voorstelling te maken. Ik ben daar ook niet chagrijnig van. Soms is een poging meer geslaagd dan een andere keer.
Als ik voorstelling zie, ben ik het strengst op mezelf. Dan denk ik: oei, dat had ik misschien anders moeten schrijven.
Toen we de verzamelbundel, De Dikke Jibbe gingen uitgeven en gingen kiezen welke stukken er d in zouden komen, zat ik teksten weer door te lezen en wilde ze gelijk weer gaan herschrijven. Dat vind ik het gave ervan want dat betekent dat het blijft leven.
Zou je regisseurs die een stuk van jou gaan doen iets mee willen geven?
Waar zit de lucht in het stuk?
Ga er niet te heilig mee om.
Gulzigheid, dingen uitproberen.
Er is niet een perfecte versie en er is geen perfecte manier.
Hoe ben je tot schrijven gekomen?
Ik heb altijd al willen schrijven. Op de lagere school ben ik al verhaaltjes gaan schrijven. Ik weet nog het eerste verhaal wat ik schreef voor de schoolkant van de Arnhemse Montessorischool. Een verhaal over een muis die leerde schaatsen, want die werd achterna gezeten door een kat. Ik kan me nog herinneren dat ik het in de kopijdoos deed. Op de middelbare school zat ik bij de schoolkrant.
Ik deed VWO. Ik heb er 7 jaar over gedaan. Na die 7 jaar dacht ik: ik wil ook iets studeren, want dat hoort dan zo. Hoe combineer ik naar universiteit en schrijven? Toen zag ik dat je in Groningen als je een propedeuse had, voor een groot hoofdvak, journalistiek kon doen. Toen ben ik Nederlands gaan studeren, want ja, taal interesseerde mij altijd al.
Op dat moment was dat niet de juiste studie voor mij. Ik vond het veel te veel over de regeltjes gaan. Ik vind het jammer dat ik toen niet opgelet heb, want het is toch ook rijkdom aan de achterkant van die taal.
Ik wilde toch meer met verhalen, dus toen ben ik geschiedenis gegaan studeren. Ik lees graag non fictie en geschiedenisboeken. Ik vond het heel droog allemaal. Dus na twee jaar studeren dacht ik: Dit is niet mijn richting. En ben ik gestopt met studeren. Daarvan denk ik ook weer: had ik toen maar beter opgelet.
Ik ben gaan werken en in mijn vrije tijd toneel gaan spelen bij verschillende amateurgezelschappen. Daar ging wel iets aan! Dit is volgens mij wel iets wat ik ambieer!
Naast het schrijven, naast die verbeelding vond ik ook de manier waarop je met taal kan spelen op een hele directe manier met een publiek, een heel spannend element. Ik denk dat het toen gebeurde, de omslag, en ben ik audities gaan voor de toneelschool.
Bijna overal afgewezen maar Maastricht werd ik aangenomen. Ik verhuisd van Groningen naar Maastricht. Een nieuw leven. Ik vond het heel verrijkend en heb heel veel geleerd..
In Maastricht ben ik afgestudeerd als theatermaker, maar ik werd, na mijn afstuderen, regelmatig gevraagd als acteur, dus ben ik als acteur gaan werken.
Ik had regelmatig werk maar ik werd er zo ongelukkig van. Ik had plankenkoorts van de eerste repetitie tot en met de laatste voorstelling. Ik was niet heel slecht, maar ik was ook niet echt goed. En ik werd in die drie, vier jaar ook niet beter. Als je er geen plezier in hebt, word je dat ook niet.
Ik wilde toch meer maker zijn en meer schrijven. Ik had totaal geen ruimte in mijn hoofd over om dat uit te zoeken omdat ik met die stress zat van die voorstellingen. Ik heb van het spelen ongelooflijk veel van geleerd: hoe taal werkt op een podium, hoe je met groepsdynamieken omgaat, vaktechnische elementen van het theater vak. Maar ik ben ook heel blij dat ik ermee gestopt ben. Dat gaf zoveel lucht.
Ik ben bij een bank gaan werken als adviseur: betalen, sparen, lenen. Daar had je ook nachtdiensten en in die nachtdiensten ben ik gaan schrijven. Die teksten heb ik naar alle gezelschappen, productiehuizen, regisseurs, kortom naar alle adressen die ik kon vinden, gestuurd. Ik kreeg van Danielle Wagenaar, die toen bij Het Syndicaat zat, bericht: Kom naar onze schrijversdagen en laten we kijken of het klikt.
De schrijversdagen zijn een soort workshop in 3 dagen waarbij je steeds nieuwe scènes schrijft en die worden door acteurs gelezen en dat bespreek je. Na die 3 dagen vroeg ze: wil je wat je nu hebt geschreven uitwerken tot een volledig stuk en dat wij dan betalen en dat we opvoeren?
Dat is de wens als je naar zoiets toe gaat, maar je verwacht het natuurlijk niet!
Ik kon daarna bij haar ook vaker voorstellingen maken en mensen uitnodigen om te komen kijken. Zo kreeg ik ook opdrachten van anderen.
En ik kreeg een aanmoedigingsbeurs bij Platform Theaterauteurs. Ik heb gewoon alle opdrachten aangenomen. Ook voor twee appels en een trekdrop producties. Je moet meters maken. Schrijven, schrijvers, schrijven, schrijvers, schrijven. Ik geloof in langzaam groeien en een in een soort piramide bouwen. Een stevig fundament van heel veel verschillende soorten voorstellingen schrijven. Eigenlijk doe ik dat nog steeds. Grote en kleine producties, jeugdtheater, vertalingen en opdrachten van vrije producenten. Alle soorten en vormen. Ik schrijf taal die geschreven is om gehoord te worden, om opgevoerd te worden, taal die moet gaan leven.
Ik heb heel veel geluk gehad en ik heb nog steeds veel geluk. Toch denk ik iedere keer als ik een voorstelling begin te schrijven: Ik weet helemaal niet of ik dit kan. Iedere keer heb ik het gevoel dat ik het weer opnieuw moet veroveren. Dat is eigenlijk ook wel fijn omdat je dan niet je trucjes gaat doen. Ik heb er nog steeds heel veel plezier in.
Contactgegevens
Anemoonstraat 25
2565 DD Den Haag
info@theaterpunt.nl
070 360 29 94
Contact over website of nieuwsbrief
of opmerkingen
over de nieuwsbrief
en de website
kun je hier terecht.
Nieuwsbrief
van nieuwe aanwinsten
in de bibliotheek
of wil je weten wat andere groepen spelen?
Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief.
In de schijnwerpers 


